22.12.08

Tortilla Flat

Dit is Sleutel 8 van de Schatkamer. De Schattenjacht start hier !


De vlammen van ons kampvuur aan de voet van de Bergen van het Bijgeloof schilderden spookachtige schaduwen op het ebbenhouten gezicht van Carmencita Peralta. Ik dacht aan het graf dat ze mij bij onze aankomst in Phoenix had getoond. Het graf van Jacob Walz, bijgenaamd de Hollander, of ook wel Old Snowbeard, op het kerkhof van Harrison Street. 'Zijn tombe draagt geen van zijn drie namen,' had Carmencita gezegd. 'En dat is maar goed ook. Die man was een monster. Je vindt zijn stoffelijke resten op de vierde rij, graf 19.'

Ik dacht ook aan de steen bij de toegang tot de Superstition Mountains, die werd opgericht omstreeks 1938. Er was een tekst in gebeiteld, die de voorbijganger moest herinneren aan de wandaden van de Hollander: Hier rusten de resten van Old Snowbeard, de Hollander. In het gebergte dodde hij drie mannen om een rijke goudmijn te stelen van Spaanse pioniers. Hij doodde acht anderen om zijn schat te behouden en overleed zelf in oktober 1891, zonder de plaats ervan aangeduid te hebben. Tientallen goudzoekers stierven in mysterieuze omstandigheden in deze canyons, maar de Mijn van de Hollander werd nooit gevonden. De Indianen beweren dat deze blanke mannen, gedreven door de goudkoorts, werden geveld door de Vloek van de Dondergoden. Wees gewaarschuwd, want ook ù zou kunnen worden betoverd door de vervloekte Mijn van de Hollander!

De tekst bleef door m'n hoofd spoken, en vooral dan de passage over de Vloek van de Dondergoden. 'Volgens mij werd de tekst geschreven door mensen die méér afwisten van de hele historie,' zei ik. 'Mensen die niet in hun kaarten wilden laten kijken, maar wél eventuele pottekijkers probeerden af te schrikken,' zei ik.

‘O ja?’

‘Ja. Hoe liep het eigenlijk af met Dick Holmes?'

Carmencita glimlachte haar mysterieuze glimlach en wierp nog een tak in het vuur. 'Toen Dick Holmes de sterfkamer van Old Snowbeard verliet, zocht hij meteen een pen en papier bij elkaar. Hij noteerde het relaas dat de Hollander hem had gedaan tijdens zijn laatste nacht op deze aarde en...' Zij aarzelde, beet op haar onderlip en keek mij onderzoekend aan. 'Als we terug in Phoenix zijn, herinner me er dan aan dat we de kleinzoon van Dick Holmes nog moeten bezoeken... George is zijn naam... Hij bezit het manuscript van zijn grootvader...'

De kleinzoon van Dick verkocht mij een kopie van het relaas dat zijn grootvader uit de mond van de stervende Hollander had opgetekend. Het testament van Old Snowbeard:

In 1860 of zo - ik herinner het me niet meer zo goed -, verliet ik op een dag mijn kamp, dicht bij de plek waar zich nu de Roosevelt Dam bevindt. Ik wilde mij naar het stadje Florence begeven en had het plan opgevat dwars door de Bergen van het Bijgeloof te trekken. Nauwelijks had ik het gebergte bereikt, of ik werd in de schouder getroffen door een pijl. Naar de kleuren van de veren te oordelen, een pijl afgeschoten door een Apache.

Ik stortte mij hals over kop in het struikgewas en begon wild om me heen te schieten. Ik heb tenminste drie Apachen naar de eeuwige jachtvelden geholpen, voordat ik erin slaagde uit hun hinderlaag te ontsnappen. Mijn proviand en mijn gereedschap moest ik daarbij jammer genoeg in de steek laten. Toen de zon de volgende dag haar hoogste punt bereikte, dronk ik mijn laatste druppel water. Ik wierp de lege drinkbus weg, probeerde mij te oriënteren en vervolgde mijn weg. Mijn enige kans om het er levend vanaf te brengen, bestond erin de Salt River terug te vinden.

De volgende ochtend vond ik een vers spoor. Laarzen... Ik volgde het spoor tot ik op een reusachtige rode rots stootte, in de vorm van een sombrero. Een eind verder zag ik drie Mexicanen kamperen. Ze waren nogal verrast toen ze mij daar plotseling uit de lucht zagen vallen, maar ze gaven mij te eten en te drinken en ze verzorgden mijn wond. Ik keek zo onschuldig mogelijk een beetje rond en vroeg wat ze hier uitrichtten.

'Wij werken in onze mijn,' antwoordden ze, en ze namen me mee naar de andere kant van het ravijn, waar mijn ogen bijna uit hun kassen puilden, toen ik daar voor mij de meest fantastische goudmijn zag die ik ooit had gezien. Een leven lang had ik gewroet in de goudmijnen van Australië, Nieuw-Zeeland en Zuid-Afrika, maar nooit had ik iets dergelijks mogen aanschouwen!

'De Mina Sombrera,' legden mijn drie nieuwe vrienden uit, 'was ooit eigendom van een rijke Mexicaan, maar nu zijn wij de enigen die ze nog weten te vinden. En dus is ze nu van ons.'

Ik stelde hen vervolgens alleen de juiste vragen. Vragen, met andere woorden, waardoor ze mij er niet zouden van verdenken het op hun mijn gemunt te hebben. Onschuldige vragen, over de weg naar Salt River bijvoorbeeld, of over de jachtgebieden van de Apachen. Zo suste ik ze in slaap. Misschien voelden ze zich ook wel zo veilig omdat zij met drie waren en ik daar moederziel alleen was. Hoe dan ook, zonder hun aandacht te trekken slaagde ik er op een bepaald ogenblik in dicht in de buurt te komen van een karabijn, die tegen een muur van hun blokhut stond. Toen ze even afgeleid waren, greep ik de karabijn en schoot ze neer. Hun lijken wierp ik in een nauwe maar diepe gracht. Ik stapelde er wat stenen boven op. Daarna verzamelde ik al het goud dat ik dragen kon, legde het over de rug van een muilezel en keerde terug naar Phoenix.

Nu moet u weten dat ik onmogelijk mijn mond kan houden als ik gedronken heb en dat ik me later niks meer herinner van wat ik allemaal heb uitgekraamd. Toen ik opnieuw naar de mijn trok, verraste het me dus helemaal niet te merken dat ik werd gevolgd. Blijkbaar had ik mijn mond voorbij gepraat. Maar ik nam mijn voorzorgen, yes sir! Vaak trok ik langs het oude Indiaanse kamp, waar ik een geheime gang had gemaakt. Daar kon ik mijn achtervolgers gemakkelijk kwijtspelen. En als het niet anders kon, dan... Zo schoot ik op een nacht twee spionnen neer, die me al zes dagen lang op de hielen zaten.

Slechts één keer zijn twee mannen erin geslaagd me tot aan de mijn te volgen. Het waren twee soldaten. Blij en fier omdat ze dachten dat ze me hadden verschalkt, lieten ze hun waakzaamheid verslappen. Het kwam hen duur te staan. Ik vertrouwde niemand en ik had geen vrienden. Ik schreef alleen een brief naar een neef van me die nog in Duitsland woonde.

'Werk aan de winkel, Julius,' schreef ik. 'Kom zo gauw mogelijk! Ik sluit hierbij wat geld in voor de overtocht.'

Julius was erg opgewonden toen hij de mijn zag. We werkten er drie dagen en keerden terug naar Phoenix, met twee zwaar beladen muilezels. Daarna dronken we samen een glas in de saloons van Washington Street.

Net als bij mij, kwam ook bij Julius de tong los als hij gedronken had. Het zal wel in de familie zitten. Bovendien verbraste hij al het geld dat we verdienden in de saloons of bij de meisjes van plezier. Het duurde niet lang vooraleer ik besefte een grote fout gemaakt te hebben door Julius te laten overkomen. Vroeg of laat moest dit slecht aflopen.

En het liép slecht af. Voor Julius. Want op een avond in de Bergen van het Bijgeloof joeg ik hem een blauwe boon tussen zijn ribben.

Daarna maakte ik nog vele tochten naar de mijn, maar toen kwam dus de grote overstroming en werd ik ziek. En nu voel ik dat ik ga sterven en daarom vertel ik u nu waar mijn goudmijn zich bevindt en waar u de mijn moet zoeken. Ik zal u ook een kaart geven.

Kijk... Hier heb je Weaver's Needle...

En hier heb je de ravijn die van het noorden naar het zuiden loopt... Er ligt een grot voor... De zon komt die grot binnen in de namiddag... Je kunt Weaver's Needle zien vanuit de grot... De put die toegang geeft tot de mijn heb ik afgedekt met zand en takken en ik heb er cactussen omheen geplant. Al de sporen die kunnen wijzen op een kamp, heb ik uitgewist... Dus zou ik zeggen: goodbye, Dick! And good luck!

'Drie dagen na het overlijden van Old Snowbeard, werd er met de Wells Fargo Express een hele hoop goud naar een bank in San Francisco gestuurd,' vertelde George Holmes. 'De bank keerde daarop $ 12.288 uit aan mijn grootvader.'

George Holmes was een lange, magere man met een ernstig gezicht die me op één of andere manier voortdurend deed denken aan een boekhouder, en hij ontving ons in het achterkamertje van het souvenierswinkeltje dat hij uitbaatte in Washington Street.

'Die 12.000 dollar,' zei ik nu, 'was dat soms de buit die uw grootvader gevonden had in de resten van het weggespoelde huis van de Hollander?'

De kleinzoon van Dick Holmes knikte.

'Daarna gaf mijn grootvader zijn werk op,' vervolgde hij. 'Hij kocht wapens en munitie, voldoende proviand, drie muilezels en een hoop gereedschap. En hij ging op zoek naar de Mijn van de Hollander. Meer dan achtentwintig jaar heeft hij gezocht... Maar hij heeft ze nooit gevonden...'

'Had die ouwe schurk hem dan zelfs op zijn doodsbed nog in de luren gelegd?'

'Wie weet...'

Dick Holmes overleed in 1930, maar zijn zoon en daarna zijn kleinzoon hadden de speurtocht verder gezet. Op zijn eerste reis had Dick Holmes het lijk van Julius Walz gevonden, de neef van Old Snowbeard. De zon en het zand hadden het lichaam eerst uitgedroogd en vervolgens zo goed als gemummificeerd. Hij vond het onder een dunne laag zand aan de voet van een platte rots.

Dick Holmes was ondertussen getrouwd met Julia Thomas, de jonge vrouw die het pension uitbaatte waarin Old Snowbeard zijn laatste levensdagen sleet. Toen Holmes er niet in slaagde de Mijn van de Hollander te vinden, tekende Julia de kaart van Old Snowbeard over en begon Dick de kopies te verkopen voor zeven dollar per stuk. Die kaartenverkoop zorgde nog steeds voor een winstgevende handel. Hoewel ik er thuis al één in m'n bezit had, schafte ik me een kopie aan, voor de ronde som van twintig dollar. Een kopie van het testament van de Hollander kostte in het souvenierwinkeltje van George nu al tien dollar.

Toen we het winkeltje verlieten, barstte Carmencita in een schaterlach uit.

'Wat is er zo grappig?' vroeg ik verbaasd.

'Enkele jaren geleden nam een vreemdeling contact op met George,' lachte ze. 'Hij deed nogal geheimzinnig... Wilde weten of George soms geïnteresseerd was in de Mijn van de Hollander. Natuurlijk, zei George, en ze maakten een afspraak. Toen bood die vreemdeling George een échte schatkaart aan... Ze was regelrecht afkomstig van Old Snowbeard, beweerde hij. En ze kostte maar 100 dollar... George bekeek de kaart en herkende ze meteen als een kopie die hij gemaakt had van de kaart van zijn grootvader... en die bij hem in de winkel maar 20 dollar kostte! Zo keerden zijn schatkaarten dus via een hele omweg uiteindelijk toch bij hem terug!'

Wij zoeken de latijnse naam van een schorpioen, ontdekt in het basiskamp van don Peralta, door dr. Stahnke (1940):

http://mayday-mayday-mayday.blogspot.com/2008/12/??????????????-????????.html

Geen opmerkingen:

Zoeken in deze blog

LinkWithin

Related Posts with Thumbnails